Steekproef voor de 13 centrumsteden

De survey stadsmonitor 2017 gebeurde bij een representatief staal van de inwoners (vanaf 17  jaar) in de 13 centrumsteden. De survey van de stadsmonitor moest – zoals bij de eerdere edities – representatieve resultaten opleveren voor de 13 centrumsteden samen en voor elk van hen afzonderlijk. Bovendien moest het mogelijk zijn voor 11 steden om uitspraken te doen op stadsdeelniveau. Bij het trekken van de steekproef moesten we daarmee rekening houden. Om uitspraken te doen op stadsdeelniveau heb je voldoende respondenten nodig. Hoe meer stadsdelen, hoe hoger het aantal personen in de steekproef. Zo wou Gent uitspraken doen over 25 stadsdelen. Daardoor moesten we het aantal respondenten fors optrekken in Gent. Om het aantal steekproefeenheden te bepalen, hielden we rekening met de te verwachten respons. Op basis van vorige metingen schatten we dat in op circa 35%.

In 2017 bedroeg de te realiseren steekproefomvang 31.810 eenheden voor de 13 steden samen. Voor de steekproef hielden we rekening met het geschatte responspercentage van circa 35% en kwamen zo uit op 90.175 eenheden. Dat was bijna het dubbele van de steekproef in 2014, toen we voor 6 steden extra bevragingen voorzagen.

Om zowel steden onderling te kunnen vergelijken en uitspraken mogelijk te maken op stads- en stadsdeelniveau, opteerden we voor een gestratificeerde steekproef. Die stuurt het toeval een beetje. De stratificatie voor de stadsmonitor verloopt volgens 2 principes: expliciete en impliciete stratificatie.

Bij expliciete stratificatie verdeel je de populatie vooraf in een aantal groepen en vervolgens neem je een steekproef uit elke groep. Die expliciete stratificatie gebruikten we voor de gebiedsindeling van de verschillende steden (deelgemeenten of postsectoren). Voor Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Kortrijk, Leuven, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout gebeurde de expliciete stratificatie disproportioneel zodat we binnen die steden ook districten, deelgemeenten of wijken konden vergelijken.

De impliciete stratificatie gebeurt volgens nationaliteit, geslacht en leeftijd. Bij impliciete stratificatie orden je de populatielijs (het bevolkingsregister) volgens de relevante kenmerken, waarna je systematisch eenheden selecteert. Concreet plaats je eerst alle Belgische mannen van jong naar oud op de lijst, dan alle Belgische vrouwen, daarna de niet-Belgische mannen en de niet-Belgische vrouwen, telkens van jong naar oud. Nadien bepaal je de ‘sprong’ van de steekproeftrekking (gelijk aan de steekproeffractie) en trek je op basis van een toevalsgetal de hele steekproef. Stel bijvoorbeeld dat je in een stad van 50.000 inwoners 500 mensen moet selecteren. De sprong is dan gelijk aan 100. Je trekt dan een toevalsgetal (t) tussen 1 en 100 en de steekproef bevat dan de elementen t, 100+t, 200+t… Zo weerspiegelt de getrokken steekproef in elke centrumstad de populatie perfect voor de kenmerken nationaliteit, leeftijd en geslacht.

Elke inwoner uit de centrumsteden komt in aanmerking voor de bevraging. Dit is een eerste voorwaarde om representativiteit van de respons na te streven.

Na akkoord van de colleges van Burgemeester en Schepenen en in overleg met de stadsbesturen trokken we de steekproef uit de bevolkingsregisters.